Leesvoer
De Koning Zonder Kasteel - Sprookje
Er was eens, heel lang geleden, een koning. Zijn koninkrijk was zo klein dat hij de enige in zijn land was.
​
De koning was ongelukkig, want in tegenstelling tot zijn oudere broer, woonde hij niet in een kasteel. Elke ochtend wandelde de koning door zijn land op zoek naar een inwoner. Maar helaas. Wanneer de koning ’s avonds terug in zijn bescheiden hutje kwam, bleek dat hij nog steeds de enige was.
​
De koning wandelde jaren vruchteloos elke dag door zijn land, tot hij op een dag een beeldschone vrouw tegen kwam. Hij verwelkomde de vrouw in zijn hutje alsof het een kasteel was. Hij bood haar zijn beste drank en eten aan, maar helaas. Na enkele dagen had de koning opnieuw het gevoel dat er iets ontbrak.
​
Na zijn dagelijkse wandeling door zijn land verwelkomde de vrouw hem thuis zoals een koning. Ze knielde voor hem en maakte de lekkerste maaltijd die hij ooit gegeten had. Maar ook dat kon niet helpen. Al snel werd de koning ongelukkig en vertelde hij tegen de vrouw dat ze beter naar zijn broer kon gaan, want die had een kasteel. Daar kon ze een echte koningin zijn.
​
De vrouw weigerde maar de koning stuurde haar zijn hut uit.
​
Enkele dagen later vond de koning bij het ontwaken een brief naast zijn bed. Het was een brief van de beeldschone vrouw die hij eerder wegstuurde. Ze schreef dat zijn broer overleden was en hij dus koning kon worden van een veel groter land met een echt kasteel.
​
Dolgelukkig rende de koning naar het kasteel. De poortwachters bogen voor hem toen hij vertelde wie hij was. Enkele uren later zat hij al op de troon samen met zijn beeldschone vrouw. De koning was dolgelukkig. Elke dag wandelde hij door zijn kasteel en keek naar zijn land vanuit de hoogste toren. Tot hij op een heldere dag in de verte zijn hutje zag staan.
​
Plots voelde het kasteel koud, grijs en kil. Elke dag werd de koning ongelukkiger.
Wanneer de koning zijn bed niet meer wou verlaten, besloot de vrouw om samen met hem terug naar het hutje van weleer te gaan. De poortwachters droegen hem tot in zijn hutje. Dat voelde warm en vertrouwd aan. De koning hoorde de vogels fluiten, de regen tegen zijn hutje gutsen en hoorde het vuur van de haard knetteren.
​
Na enkele dagen besefte de koning dat zijn hutje veel aangenamer was dan het grote kasteel. Elke dag deed hij opnieuw zijn wandeling. Hij zocht niet maar naar andere inwoners, maar genoot van elke voorbijvliegende vogel.
​
En hij leefde nog lang en gelukkig…